Hoe David Van Reybrouck van een poffertje proeft en het Nederlandse zelfbeeld corrigeert

874,80 euro. In september 2020 veroordeelde een rechtbank in Den Haag de staat tot het betalen van deze schadevergoeding aan de zoon van Abubakar Lambogo. Nederlandse soldaten hadden de verzetsstrijder uit het Indonesische Zuid-Sulawesi in maart 1947 vermoord en zijn hoofd op een paal gespietst om de bevolking angst aan te jagen. De zoon weigerde deze aalmoes.

De onthoofding van Lambogo paste in een praktijk van standrechtelijke executies en moordpartijen door het Nederlandse leger. Die waren volgens de beruchte kapitein Raymond Westerling de enige manier om het eiland ‘op een efficiënte, duurzame en vooral moreel verantwoorde manier te pacificeren.’

De hoogste verantwoordelijken, schrijft David Van Reybrouck in zijn boek Revolusi, ‘wisten heel goed dat Westerling en zijn troepen illegaal bezig waren, maar lieten hem begaan omdat hij zulke geweldige resultaten boekte, net zoals J.P. Coen in de jaren 1620.’

Eerder in Revolusi tekende de schrijver op hoe de in Hoorn met een standbeeld geëerde zeevaarder Coen het hele eiland Banda uitmoordde omdat ze daar nog steeds tegen zijn wil nootmuskaat leverden aan andere maatschappijen dan de Verenigde Oostindische Compagnie. Tussen de tien- en vijftienduizend mensen kwamen om. ‘Vandaag bestaat daar een woord voor: genocide,’ stelt Van Reybrouck. Historisch relativisme is hier in zijn ogen niet op zijn plaats, hier geldt niet: andere tijden, andere mores. Immers: ‘Zijn aanpak oogstte toen al felle kritiek. Zijn voorganger Laurens Reael laakte “alle onrechtvaardige, ja barbaarse middelen” waarvan de VOC zich meende te moeten bedienen.’

Revolusi boekstaaft de Nederlandse koloniale bemoeienis in het grootste eilandenrijk ter wereld vanaf de vroege zeventiende eeuw tot aan de onafhankelijkheid van Indonesië eind 1949. Net als in Congo. Een geschiedenis weet Van Reybrouck met zijn literaire pen historisch onderzoek en journalistieke reportage te verweven tot een bijzonder beklijvend relaas. Opnieuw is hij eropuit getrokken om honderden ooggetuigen te spreken. Hij zette zich neer bij ouden van dagen die de koloniale tijd, de Japanse bezetting en de onafhankelijkheidsstrijd aan den lijve hadden meegemaakt en luisterde. Hun getuigenissen maken deze geschiedenis bijzonder levendig en krachtig. En vaak buitengemeen onthutsend.

Met grote precisie slaat Van Reybrouck het Nederlandse zelfbeeld van een beschaafd land dat weliswaar net als zoveel andere landen te lang was gevallen voor een koloniale ideologie maar toch het beste met de bevolking voor had finaal aan diggelen.

Het poffertje-moment

Net als in Congo is de oudste getuige een spilfiguur. In een rusthuis in Callantsoog ontmoet Van Reybrouck in 2016 de in 1914 op Sumutra geboren Djajeng Pratomo. Bij de eerste kennismaking schotelt een voorzorgster hun poffertjes voor. ‘Terwijl ik op een lauwe deegbal kauwde, besefte ik dat het Nederlands koloniaal avontuur niet met een honger naar grond begon, maar met een verlangen naar smaak,’ schrijft Van Reybrouck. ‘Nederland viel geen bestaand land binnen om het over te nemen, het viel aanvankelijk niets binnen en wou ook helemaal niets overnemen. Het wou enkel iets afnemen, specerijen met name.’

Aldus verklaart hij met een vrijheid die een academisch historicus zich wellicht niet kan permitteren maar een schrijver wel de Nederlandse trek naar het oosten.  Zoals de geur van een madeleine bij Proust de herinnering in werking zette, brengt de smaak van een poffertje Van Reybrouck tot inzicht.

Pratomo was in de jaren dertig van de twintigste eeuw lid geworden van de Perhimpoenan Indonesia (PI), de bakermat van het Indonesische nationalisme. In 1936 kwam hij naar Nederland om te studeren. Terwijl hij zich in Rotterdam over de economieboeken boog, brak de Tweede Wereldoorlog uit. Hij ging net als veel andere Indonesische studenten in het verzet.

De gekoloniseerden kwamen de kolonisator te hulp, schrijft Van Reybrouck. In groten getale. Naar schatting een op de tien van de ongeveer achthonderd Indonesiërs die zich in Nederland bevonden, sloot zich aan bij het verzet, een aandeel dat vele malen hoger lag dan onder de Nederlandse bevolking. Pratomo verspreidde verzetskranten als Vrij Nederland in Rotterdam en schreef zelf ook pamfletten. In januari 1943 arresteerde de Sicherheitsdienst hem, nadat zijn geliefde Stennie, die Joden hielp onderduiken, was verraden. Hij belandde in kamp Vught en later in Dachau.

‘De rol van Indonesiërs in het anti-Duitse verzet is nagenoeg onbekend. Doordat ze naderhand opnieuw tegenover Nederland kwamen te staan, werden ze uit het nationale geheugen geschrapt,’ noteert Van Reybrouck.

Selectief is het geheugen ook over wat er gebeurde tijdens de Japanse bezetting van Indonesië. Tegen het eind van de Tweede Wereldoorlog kwam naar schatting vijf procent van de Javaanse bevolking om van de honger, ongeveer 2,4 miljoen mensen. In het Nederlandse collectieve geheugen zijn evenwel alleen de Jappenkampen blijven hangen.

Om de olie

Met in totaal vier miljoen doden was Indonesië een van de zwaarst door de oorlog getroffen landen. Ze stierven, schrijft Van Reybrouck, ‘door honger en ontbering in een militair-economisch treffen tussen Nederland en Japan om de bodemrijkdom van hun land.’

Voor de Japanse oorlogsmachine was de Indonesische olie essentieel. Na de oorlog wilde Nederland meteen weer aanspraak maken op de bodemrijkdommen. In het blad Indonesia schreef Djajeng Pratomo samen met zijn collega’s van de onafhankelijkheidsbeweging scherpe stukken waarin hij de vinger op de zere plek legde: ‘De barrière van het fascisme is weggevallen, maar wij staan voor nieuwe obstakels die geworteld zijn in diezelfde bodem, waaruit het fascisme is opgegroeid: het eigen belang van groepen die baat hebben bij een onmondigheid en een beknotting van het recht van de massa. Dat zijn de grote heren van de Indonesische plantages, van de tin en de olie….’

Door kunstenaar Raden Affandi ontworpen affiche uit september 1945 die de jeugd opriep om te strijden voor onafhankelijkheid

Wat eufemistisch de geschiedenis in is gegaan als de ‘Eerste Politionele Actie’ in juli 1947 was evenzeer ingegeven door het verlangen weer de baas te zijn over de plantages. Nederland wilde gebieden heroveren op de Republiek Indonesia die op 17 augustus 1945 de onafhankelijkheid had uitgeroepen. Het land zat in financiële nood en snakte naar inkomsten uit de olie, tin, rubber, koffie en alle andere rijkdommen van Indonesië. In rap tempo kreeg het weer grote delen onder controle. ‘De ondernemers konden weer aan de slag,’ schrijft van Reybrouck ironisch. ‘Het faillissement van Nederland en zijn overzees gebied was voorlopig afgewend.’

Tussen 1946 en 1949 vertrokken 120.000 dienstplichtige Nederlandse soldaten naar Indonesië in de strijd voor het behoud van de kolonie. Velen wilden geen bijdrage leveren aan de bezetting. De Nederlandse overheid jaagde nog tot eind jaren vijftig op ‘deserteurs’. Ze kregen tot twee jaar gevangenisstraf. De soldaten die in de kolonie oorlogsmisdaden begingen, bleven evenwel onbestraft. Van Reybrouck concludeert: ‘wie weigerde te doden, werd opgesloten; wie moordde zonder reden, ging vrijuit.’

In Nederland heerst het beeld dat er twee ‘Politionele Acties’ waren. In werkelijkheid was er tot aan de onafhankelijkheid in december 1949 een oorlog die 52 maanden duurde, stelt Van Reybrouck. Minutieus brengt hij die periode in kaart en laat hij zien hoe Nederland de zeldzame kansen op een vreedzame oplossing verprutste en resoluties van de Verenigde Naties naast zich neerlegde. Pas toen de Verenigde Staten dreigde de militaire hulp in het kader van de net opgerichte NAVO op te schorten, besefte Nederland dat de onafhankelijkheid onvermijdelijk was.

Maar ook toen bleef het zijn eigen financiële belangen met verve verdedigen. Het zorgde ervoor dat alle concessies van Nederlandse ondernemingen van kracht bleven en dat Indonesië alle schulden van Nederlands-Indië moest overnemen. ‘Zoals slaven in de negentiende eeuw hun eigenaar moesten betalen voor hun vrijlating, zo moest Indonesië nu zichzelf vrijkopen,’ analyseert Van Reybrouck scherp.

Ronduit racistisch

Bij haar toespraak ter gelegenheid van de soevereiniteitsoverdracht sprak koningin Juliana over ‘de diepe sympathie der beide volken’. Dat die mythe bij het oud vuil kan, maakt Revolusi pijnlijk duidelijk. Van Reybrouck laat zien dat de koloniale samenleving zeker in de jaren dertig totaal gesegregeerd was en diep doortrokken van racisme.

Daarvoor gebruikt hij het beeld van de koloniale pakketboot, die was onderverdeeld in drie klassen. Op het hoogste niveau zaten de hooggeplaatste westerlingen in luxueuze hutten met wastafels en rooksalons en een eigen promenadedek met rotanstoelen. Het tweede niveau, met kajuiten dichter bij het lawaai van de motoren die je moest delen met onbekenden, was weggelegd voor de minder welgestelde Nederlanders en Indonesiërs die functies hadden verworven in het Nederlandse bestuur. Op het onderste dek had je anderhalve vierkante meter voor je matje en bagage. Daar moest de verpauperde massa van gewone Indonesiërs het mee doen.

Je inkomen en status was in de koloniale samenleving afhankelijk van je kleur. ‘Hoe meer pigment, des te minder payment.’ Kranten als Het nieuws van den Dag voor Nederlands Indië schreven ronduit racistisch over de bevolking. ‘Naar onze meening is de Javaan een kind: stout, grillig, lastig en lui, onbetrouwbaar en wreed. Niet in staat om voor zichzelf te zorgen, niet in staat eenig ernstig werk zelfstandig te doen…’

Die houding leverde de Nederlanders weinig sympathie op bij de vernederde bevolking. Van Reybrouck laat vele getuigen aan het woord die de Nederlanders allerminst als hun grote vrienden zagen. ‘Iedereen haatte de Nederlanders toen, ook mijn ouders. Gewoon, omdat ze alles afpakten,’ zegt een van hen.

Temporeel kolonialisme

Aan het slot van zijn indrukwekkende geschiedenis zet de schrijver niet braaf zijn bevindingen op een rij. Nee, in een prachtige epiloog bezingt hij de natuurlijke rijkdommen van Indonesië en spreekt hij zijn treurnis uit over het tempo waarin deze teloorgaan. Op de valreep geeft hij nog nieuwe denkstof mee door het onderscheid te maken tussen territoriaal en temporeel kolonialisme. Zoals de Nederlanders Indonesië kolonialiseerden, zo legt de huidige generatie door de vernietiging van de biodiversiteit en door het aanjagen van klimaatverandering beslag op het leven van toekomstige generaties.

Ja, ik ken de auteur een beetje, ooit interviewde ik hem over zijn Congo-boek voor Vrij Nederland, later trof ik hem weleens. Wellicht beïnvloedt dat mijn oordeel. Nee, ik ben bepaald geen specialist in de Indonesische geschiedenis. Zeker beperkt dat mijn vermogen precies te zien wat er nieuw is aan zijn relaas en mogelijke onevenwichtigheden in zijn analyses bloot te leggen. Toch durf ik hier op ‘De stille pen’ waar ik heer en meester ben over mijn eigen gedachten de diepe overtuiging uit te spreken dat David Van Reybrouck met Revolusi een buitengewoon belangwekkend boek heeft geschreven dat Nederland noopt tot een ernstige correctie van het nationale zelfbeeld.

3 antwoorden op “Hoe David Van Reybrouck van een poffertje proeft en het Nederlandse zelfbeeld corrigeert”

  1. Het gaat niet om excuses voor eea, maar over het zelfbeeld dat zich maar niet laat corrigeren. Herzie je geschiedenis, dat is wat dit boek beoogt.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *