Achter de blinkende façade van bestemming België

Wilde naar Péruwelz en Pommeroeul fietsen om te ontdekken welke werelden zich schuilhouden achter deze stippen op de oude Belgische schoolkaart waar ik sinds kort de gelukkige eigenaar van ben en waar ik graag naar mag staren. Maar ik heb covid opgelopen en zal thuis moeten blijven. Wat rest is reizen in de verbeelding, met als gids Bestemming België.

Dat boek voert je in dertien avontuurlijke etappes door de geschiedenis van het toerisme in België, van de stichting van het land in 1830 tot in het jaar dat het, ijs en weder dienende, twee eeuwen zal bestaan. Wat die routes elk op hun eigen manier laten zien, is dat de promotie van toeristische bestemmingen zeker vroeger niet alleen een economisch maar ook een ideologisch doel diende. Zo zag de Vlaamse Toeristenbond de aanleg van wandel- en fietspaden als “de perfecte manier om zijn cultuurhistorische streven te rijmen met Vlaamse identiteitsvorming.” Niet toevallig richtte het allereerste in 1935 geopende wandelpad zich op Hendrik Conscience.

Modelstad (zonder gokhal)

Een tweede rode draad is, stellen de inleiders, dat toeristische attracties een levenscyclus hebben. Ze komen op, bloeien en verwelken. Daar is Westende-Bad een pijnlijk voorbeeld van. In 1895 nam de Brusselse familie Otlet het initiatief tot de bouw van een villadorp op een plek die toen nog als afgelegen gold. Zoon Paul, ook bekend als de grondlegger van het internet, wilde aantonen dat het mogelijk was een modelstad te bouwen. De overtuigd pacifist (waar de pacifisten zijn gebleven, vroeg ik mij overigens in dit stukje af) zal daarbij ook, vermoedt historicus Marc Constandt die het verhaal van Westende mooi optekende, “het vreedzaam samenleven van diverse nationaliteiten voor ogen hebben gehad”.

Voor een casino met kansspelen was in zijn gedroomde familiebadplaats geen plek, wel voor een kunstenaarsdorp. Het ambitieuze project kwam niet echt van de grond. In plaats daarvan bouwde de familie Otlet in de duinen het Westend’Hôtel. In de feestzaal vonden concerten en tentoonstellingen plaats, schrijver Emile Verhaeren en kroonprins Albert waren er te gast. Maar gedurende de Eerste Oorlog werd de chique badplaats rijk aan architecturale parels aan flarden geschoten. Na de oorlog werd er een poging tot wederopbouw gedaan, maar het elitaire publiek trok naar exclusievere oorden, vaak in verre buitenlanden.

Nu is Westende een van de treurigste badplaatsen aan de Belgische kust waar haast niets van de vooroorlogse grandeur rest. Otlet zal zich in zijn graf omdraaien, maar in Middelkerke, de gemeente waar Westende nu deel van uitmaakt, is het een casino dat de stad nieuwe allure moet geven. “Hier bestaat de kans de geschiedenis van Middelkerke als bloeiende nederzetting op het middeleeuwse eiland Testerep, halverwege Westende en Oostende, in herinnering te roepen en midden in het centrum ruimte te maken voor een nieuwe relatie met het landschap van strand, duin en watergeulen,” schrijven de Amsterdamse architecten ronkend. Ze pretenderen dat het casino “een nieuwe huiskamer van Middelkerke, waar congressen, exposities en concerten plaatsvinden” zal zijn. Ook komt er een hotel in waar je “letterlijk op het strand” een kamer kunt boeken en dat het toerisme een nieuwe impuls moet geven. De tijd zal het uitwijzen.

Wedergeboorte?

Het kan wel, bestemmingen in ademnood nieuw leven in blazen. Dat claimen de samenstellers van het boek althans. Ze kunnen “een wedergeboorte doormaken als beleidsmakers en ondernemers aan de juiste knoppen draaien”. Al zullen ze daar nooit in hun eentje in slagen en zullen toeristen zelf op niet altijd te voorspelllen wijze een rol spelen in het “ontdekken, onderuithalen, uitvinden en heruitvindingen van bestemmingen”.

Toch is het in Bestemming België met een lampje zoeken naar mooie voorbeelden van bestemmingen die wisten op te bloeien nadat ze eerst waren verwelkt. Wat het boek wel laat zien, is hoe beleidsmakers telkens weer in dezelfde trukendoos graaien om hun waar aan te prijzen en zich daarbij bedienen van dezelfde clichés.

Dat toont de Antwerpse stadshistoricus Ilja Van Damme fraai in zijn bijdrage over Brugge. Ironisch beschrijft hij hoe Toerisme Vlaanderen het idee promoot van de toerist als “estheet en culturele meerwaardezoeker”. De mensen die zich voor die gedachte laten vangen, dromen hardop “van klassieke concertjes in de abdij, poëzieavonden, en waarom niet de opstart van een kleine, maar fijne horecazaak, gespecialiseerd in lokale streekproducten?”

In de negentiende eeuw paste het promoten van “kunststeden” als Brugge en Gent nog in een humanistisch-elitair beschavingsideaal. Nu is het vooral een middel om de toerist met goed gevulde beurs te lokken. “Het historische, schilderachtige erfgoed verschijnt zo in de Belgische steden meer en meer als decor: niet langer de focus van cerebrale aandacht, maar herleid tot blinkende façade waartegen de stadstoeristische massa winkelt, eet en drinkt op ruimte-hongerige terassen,” observeert Van Damme.

Genk raakt je diep

Terwijl ik Bestemming België aan het lezen was, kreeg ik een magazine onder ogen ter promotie van de provincie Limburg. Dat weet werkelijk alle clichés uit de kast te trekken om de culturele meerwaardezoeker te lokken. Restauranthouders uit Bilzen mogen vertellen dat ze “kwaliteitsingrediënten van bij ons als uitgangspunt” hebben. “Genk raakt je diep,” staat naast een foto waarop een breed lachend duo knappe mensen te midden van een weelderig decor van smakelijke hapjes en planten van een glaasje nipt.

Toegegeven, ik nam de oude mijnsite C-mine in Genk ooit op in een lijstje van geslaagde voorbeelden van de herbestemming van industriële sites. Zeker, het is aangenaam fietsen in het nabijgelegen Nationaal Park Hoge Kempen. Maar echt, ik wil niemand beledigen, Genk is een interessante maar vaak pijnlijk lelijke stad. In het hele Limburgse magazine zien we evenwel alleen plaatjes van betoverende landschappen, imposante historische gebouwen, delicieuze gerechten en vrolijke mensen. Alle lelijkheid is weggewist, alles is geheel op maat gesneden van de (buitenlandse) toerist die, zoals Van Damme schrijft, “altijd op zoek (is) naar het vermeend authentieke, maar tegelijk blind en afkerig voor het moderne in de Belgische steden.”

De manier waarop Limburg zich presenteert past zonder twijfel goed in de keuze voor kwaliteit in plaats van kwantiteit die Jan Van der Borg in de slotbijdrage aan Bestemming België prijst. Daarmee zou toerisme Vlaanderen de basis leggen voor “een heel nieuw toeristisch verdienmodel”. Als dat model evenwel bestaat uit het met eenzelfde fantasieloos sausje overgieten van alle toeristische bestemmingen zal het vast economisch renderen maar de bestemming België platslaan tot de gemeenplaats van het bourgondische landje dat zo rijk is aan kunstschatten.

Was ik promotor van bestemming België dan zou ik zeggen: pak gewoon de fiets en trap richting plaatsen die niemand aanprijst zoals Péruwelz. Onderweg zal je zonder twijfel, net als in het boek Bestemming België, op vele sporen van fascinerende geschiedenissen stuiten, nogal wat lelijkheid ontmoeten maar onverhoeds ook worden verrast door plekken met een verpletterende schoonheid.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.