De stille kracht om het geloei te weerstaan. Een apologie en Nieuwjaarswens

Het bos is bescherming, de bomen zijn mijn vrienden. Om te ontsnappen aan de jongens die mijn arm op de rug wringen, loop ik in de pauzes het bos achter het schoolplein in. In de donzende geluideloosheid tussen de eiken voel ik mij veilig.

Nu nog, decennia later, verlang ik op van die dagen waarop ik twijfel of de meeste mensen – mijzelf incluis – wel deugen naar de beslotenheid van het bos.

Op zo’n dag daalde ik het pad af dat de entree tot deze website vormt. Het is in de buurt van Ploegsteert, het geboortedorp van wielrenner Frank Vandenbroucke dat is vereeuwigd in het wonderschone lied van Het zesde metaal. Bovenaan de heuvelkam waar het pad vertrekt, is een monument dat gedenkt dat hier op Kerstavond 1914 Duitse en Britse soldaten verbroederden. Beneden in de verte hoorde ik, het moet een zinsbegoocheling zijn geweest, de wind tussen de bomen fluisteren: ‘Houd moed.’

Maak lawaai!

Deze magische plek koos ik tot de entree van ‘De stille pen’. Al wandel ik graag alleen, ik droom er toch van dat een enkele lezer met mij dat pad wil afstappen, het donkere woud in.

Jongen toch, zei zeker niet alleen mijn moeder, toen ik mijn avontuur als zelfstandig journalist met die naam begon. Een journalist moet lawaai maken, aandacht trekken. Ze hadden natuurlijk gelijk dat mijn vertrek uit de veilige wereld van de vaste baan iets te maken had met mijn onwil op de trom te roffelen. En met mijn onvermogen in een stevige marspas recht op een te maken punt af te stevenen en alle zijpaden te negeren die andere perspectieven openen.

Er zijn al meer dan genoeg schreeuwers, verdedigde ik me, lieden die van de daken roepen dat ze het raadsel hebben ontsluierd, maar niet meer doen dan de wereld in hun simplistische schema’s proppen. Laat mij maar op fluisterende toon verhalen van de kleine wonderen die ik op dwaaltochten tegenkom.

Begrijpen die critici dan niet, mompelde ik in mijzelf, dat de naam waarmee ik mijn eenmanszaakje heb getooid verwijst naar twee door mij geliefde romans: De stille kracht (1900) van Louis Couperus en De stille man (1938) van Albert van Hoogenbemt.

Stil verzet

In Couperus’ roman – dat meesterwerk van karaktertekening – gelooft resident Otto van Oudijck aanvankelijk niet ‘aan de stille kracht, aan het leven in het leven, aan wat er krioelde en woedde als vulkaanvuren onder de bergen van majesteit, als troebelen onder een troon’. In de door de Hollandse overheerser onderdrukte en geminachte Javaan smeult evenwel een stil verzet. Hij voorvoelt al ‘het verre gebeuren’, hij weet dat wat is, niet altijd zo zal blijven. Het is zijn stille kracht die uiteindelijk de zichzelf als rationeel en rechtvaardig misbegrijpende koloniaal zal slopen.

Onlangs kraakte Kester Freriks een kritische noot bij het door mij bezongen werk Revolusi van David Van Reybrouck: de schrijver is de literaire bronnen vergeten, die toch volop inzicht geven in wat er broedde in Nederlands- Indië. Het is waar: in de roman van Couperus smeult al de revolutie waar Van Reybrouck zijn boek aan heeft gewijd. Bij een spiritistische seance onder een groepje kolonialen tikt de tafel het woord ‘opstand’. Een van hen rept van ‘een reusachtige maar uitgeputte kolonie, steeds uit Holland bestuurd met één idee: winstbejag.’ Het is een van de leidmotieven uit Revolusi: hoe de kolonisator die voorwendde beschaving te brengen steeds handelde uit verlangen naar financieel gewin.

Weer ben ik een zijpad ingeslagen. Wat ik hier wilde vertellen, was dat ik met de Javaan geloof aan de stille kracht, aan wat er voor wie het geraas achter zich en zijn oren spitst te horen is in het stille woud.

Berusten in klein geluk

Met hoe de stilte van de bossen zijn denken de ruimte biedt, opent vader, de stille man uit de roman van Albert van Hoogenbemt, een brief aan zijn vrouw. ‘Hoe zou ik willen dat gij mijn vriendschap voelde als een van die bomen langs de weg, waartegen men aanleunt, moe van het gaan,’ schrijft hij verderop. Die zin grijpt mij elke keer weer aan.

Maar een boom waar zijn vrouw steun aan kan ontlenen, is de stille man niet. In hem woeden vulkaanvuren. Zijn verlangen naar volmaaktheid, naar een scheppend leven, verwoest het kleine geluk. Laat in zijn leven komt hij tot inzicht. Maar niet te laat om het zijn zoon door te geven. ‘Als ik weer de schepen hoor loeien door de nacht, zal ik de ogen sluiten en denken: ik versta dit geloei; het schip dat roept is als een duister dier, het rukt aan zijn keten want heftig verlangt het naar de verte. Ik was als dit schip, de man die op een bepaalde leeftijd zijn leven wil hervatten als zijn laatste kans; maar vader heeft mij op het gepaste moment een veelbetekenende wenk gegeven, mij geleerd te berusten.’

De stille man las ik voor het eerst op mijn achttiende, toen ik net op kamers was, alleen in een café, naast het bos paradoxaal genoeg de plek waar ik mij het meest thuisvoel. De stille man gaf via zijn zoon zijn raad ook aan mij door: beteugel je verlangen naar het grootse, zoek je geluk in het kleine, het alledaagse. Daarin is voor wie aandachtig kijkt genoeg te ontdekken.

De stille pen wenst je een warm 2021 toe, vol stil verzet, rijk aan kracht om het geloei te weerstaan, met mooie verkenningstochten door stille wouden en voor wie vermoeid is een boom om tegen te leunen.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *